Home

voorbeeldbrief

Dit is een voorbeeld brief. Deze brief moet puur als voorbeeld beschouwd worden, per situatie spelen andere factoren mee. Daarnaast mogen er aan deze brief geen rechten ontleend worden en is deze brief geen vrijwaarding om de APV te overtreden.

Geachte LS,

Verdediging inzake rechtszaak;

Het verspreiden van ideeën/meningen en gedachten is volledig legaal. De vrijheid van meningsuiting is hier heel duidelijk over (artikel 10 EVRM en artikel 7 grondrechten van het Koninkrijk der Nederlanden, Universele verklaring van de rechten van de mens artikel 19). Het verspreiden van ideeën / gedachten / meningen mag niet in het algemeen verboden worden of van voorafgaand verlof der overheid afhankelijk worden gesteld. Ik beroep mij dan ook op artikel 10 van het EVRM, artikel 7 grondrechten van het Koninkrijk der Nederlanden en artikel 19 van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Ik heb niet meer gedaan dan gebruik gemaakt van mijn grondrecht.

De APV spreekt echter wel van een verbod tenzij er gebruik wordt gemaakt van de door B. en W. aangewezen vrije plakplaatsen. De aangewezen vrije plakplaatsen acht ik niet voldoende in de Gemeente. Ze zijn niet van enige betekenis en bieden mij daarom niet voldoende ruimte om mijn mening te uiten. Verder wil ik de volgende punten als verdediging aanhalen.

  • Het verspreiden van posters is een legitiem en zelfstandig middel en zou ook zo gezien moeten worden.
  • Ruimte voor de vrijheid van meningsuiting moet gratis en laagdrempelig zijn, zodat een ieder toegang heeft.
  • In het arrest van 21 januari 1986, NJ 1986, nr. 441 (APV Gouda), heeft de Hoge Raad haar standpunt gehandhaafd aangaande de verbindendheid van een plakverbod. Wel zet de Hoge Raad de lijn uit het arrest-Zevenaar (NJ 1984, 64) voort, in die zin dat de feitenrechter dient na te gaan of de plaatselijke omstandigheden zodanig zijn dat het plakverbod in feite geen mogelijkheden tot gebruik van enige betekenis van het middel openlaat. Laat de feitenrechter dit na, dan is de beslissing dat de bepaling onverbindend is, onvoldoende met redenen omkleed. De Advocaat-Generaal mr. Meijer stelt in zijn conclusie dat wanneer de feitenrechter het eerder vermelde onderzoek verricht en uit dat onderzoek blijkt dat geen gebruik van enige betekenis resteert, hij de onverbindendverklaring niet in strijd acht met het recht. Heeft de aanklager een onderzoek naar het aantal openbare aanplakborden verricht?
  • In een arrest van 5 januari 1988 (Gst. 6872, 5 m. nt. B., Plakverbod Haarlem) borduurt de Hoge Raad voort op eerdere jurisprudentie. Volgens de Hoge Raad heeft de rechtbank terecht geconstateerd, dat het betreffende gemeentelijke plakverbod in strijd is met artikel 7, lid 1, van de Grondwet nu blijkens feitelijke vaststelling 'de vrije plakmogelijkheden in de gemeente, bezien naar aantal, oppervlakte en plaats, zodanig onvoldoende zijn dat van enig reëel gebruik van het onderhavige middel van bekendmaking geen sprake kan zijn'. Van de gemeenten wordt min of meer een voorwaardenscheppend beleid gevraagd zodat aan het criterium 'dat gebruik van enige betekenis moet overblijven', ook feitelijk inhoud kan worden gegeven.
  • Uit eigen onderzoek blijft dat er destijds 10 openbare aanplakborden stonden. Ik acht 10 locaties niet voldoende om een substantieel deel van de bevolking 60.000 mensen te bereiken. Daarnaast houdt de Gemeente deze borden niet voldoende commercieel vrij. Sterker nog, deze ideeele aanplakborden hangen vol met commerciele posters. De Gemeente voert geen voorwaardenscheppend beleid zoals de Hoge raad bepaald heeft. Mocht het nodig zijn dan kunnen we de proef op de som nemen. Op het moment dat je geen substantieel deel van de bevolking kunt bereiken, dan is de vraag; wat is de betekenis van de aanplakborden?
  • In tijden van verkiezingen worden er aanplakborden bijgeplaatst. Dit zou niet nodig zijn als 10 openbare aanplakborden voldoende zouden zijn. De Gemeente geeft hiermee zelf het signaal af dat zij niet over voldoende openbare aanplakborden beschikt.
  • De aanklager (OM) zal ongetwijfeld beweren dat dit een zaak is tussen de Gemeente en het individu die zijn mening wil uiten. Dit is onjuist, omdat Gemeente haar plakbeleid puur en alleen baseert op uitspraken van rechters. En daarnaast maak ik als verdachte puur gebruik van mijn grondrecht en belemert APV artikel "plakken en kladden" (die ondergeschikt is aan de grondrechten van het Koninkrijk der Nederlanden) mij in mijn vrijheid van meningsuiting. Verder wordt in mijn verdediging verschillende jurisprudentie aangehaald en verwijs ik tevens naar NJ 1993/534 die als bijlage is toegevoegd. Hieruit blijkt dat dit geen beleidsmatige kwestie is maar wel degelijk een juridische kwestie.
  • Er zijn minstens 400 locaties beschikbaar voor handelsdoeleinden. Dit geeft de scheve verhouding aan tussen de ruimte voor vrijheid van meningsuiting en de ruimte voor handelsdoeleinden. De geboden ruimte voor de vrijheid van meningsuiting is binnen deze situatie ondergeschikt aan de geboden commerciële ruimte. Het kan niet zo zijn dat handelsdoeleinden belangrijker zijn dan grondrechten. Dit vraagt om een aanscherping van de huidige jurisprudentie (aantal plakborden die minimaal vereist zijn) omtrent het aantal aanwezige plakborden..Gezien het gegeven dat de Gemeente haar plakbeleid puur op jurisprudentie afstemt, ligt hier een taak voor de rechter.

    Ik acht de aanwezige openbare aanplakborden in de Gemeente niet van enige betekenis. Hiervoor verwijs ik naar de bovengenoemde argumentatie en daarom verzoek ik om vrijspraak en duidelijke criteria omtrent de hoeveelheid, afmetingen, spreiding en kwaliteit van de openbare aanplakborden binnen een Gemeente. Met andere woorden; wanneer is er sprake van enige betekenis en wanneer is de vrijheid van meningsuiting in het geding?

    Met vriendelijke groet,